zondag 1 april 2012

Fragmenten uit Seizoensgebonden geïnspireerd door Gerard Reve

t.g.v. de 6e sterfdag van Gerard Reve 8 April 2012

De Zomer van Levi Leipheimer hst 2
Over literatuur, haar en lamaspuug

Ruud is iemand die wel eens een boek heeft gelezen en waar Murk dus soms een niet al te oppervlakkig gesprek over literatuur mee kan voeren.
Vandaag begint Murk de tweespraak met een sneer naar het dunner wordende haar van Ruud.
‘Je wordt wat kaal, maar daar bestaat tegenwoordig een probaat middel tegen, het spuug van een Peruaanse lama.'
´Doordat die op grote hoogte leven ontwikkelen ze een bepaald enzym in hun speeksel.'
Ruud heeft um nog niet door.
'Beter kortharig dan langdradig!'
Murk vervolgt zijn betoog.
‘Maar dan moet je wel Peruaanse hebben met de Ecuadoraanse werkt het niet.'
Ruud begint in de gaten te krijgen waar Murk met zijn gelul naar toe wil.
‘Oudehoer!, jij hebt de Avonden van Reve gelezen!'
Murk bevestigd dat dit inderdaad het geval is.
‘Ja, onlangs opnieuw en ik moet zeggen dat ik het nu een stuk beter vind dan toen ik het op m' n achttiende voor de eerste keer las.' 

Harry mengt zich in het gesprek.
'Jij leest veel hè Murk?'
Murk zwakt de bewering af.
'Mwa, wat is veel?'
Karel lacht.
'Nou je zou er zomaar literatuureluurs van kunnen worden.'

Ruud en Murk laten Eddy, Harry en Karel met de overgebleven blikken bier op het bankje achter en lopen in de richting van het Wolkerspark.
Karel slaakt een zucht van verlichting.
'Wat multilult die Murk toch altijd veel hè!'

Bij de JanCampert op het Bernlefpad is gelukkig nog genoeg bier verkrijgbaar.
Murk en Ruud maken driftig gebruik van deze gelegenheid en installeren zich op een bank tegenover het Indisch Theehuis op het HellaHaassepad.
Murk vertelt dat hij die ochtend is begonnen met het schrijven van z'n eerste boek.
Ruud kijkt bedenkelijk.
'En lukt het een beetje?'
'Nou ja dat gaat wel’, antwoordt Murk, 'en over Reve gesproken', 'ik voltooi natuurlijk geen enkele bladzij zonder er aan te denken dat Gerard Reve ooit heeft gezegd dat hij geen enkele bladzijde voltooide zonder daarbij aan Nescio te denken.'
 

Herfstval hst 7 
Over koud bier, blasfemie, starende koeien en de majesteit 
 
De herfst is halverwege.
Het is een dag met weinig nieuws.
Het enige bericht dat Murk in de ochtendkrant is opgevallen is dat over Wilma Nanninga.
Uit welingelichte kringen is vernomen dat zij een liefdesbaby van clown Bassie zou zijn.

Murk gaat op weg naar de Vondelkerk.
Hij loopt met zijn hoofd in de wolken die vandaag wel heel erg laag hangen.
Om de paar minuten moet hij zijn bril droog maken omdat er een film van kleine 
waterdruppeltjes op wordt achtergelaten.

Later deze dag zal de koningin de eerste steen voor een nieuwe prachtwijk komen leggen.
Het gerucht gaat dat het misschien wel het laatste openbare optreden van Beatrix als 
vorstin zal zijn en dat wil hij meemaken.

Karel en Ruud zitten al op de eerste rang op het bankje voor de Vondelkerk.
Murk voegt zich bij hen.
De overkant van de gracht is door de mist nog niet zichtbaar.

Al bier drinkend praat het drietal over de discussie die is ontstaan over artikel 147 van de 
grondwet betreffende de godslastering.
Karel vraagt zich af of God nu straffeloos beledigd mag worden.
Murk weet het ook niet meer.
'Waarschijnlijk alleen als je er zeker van bent dat ie niet bestaat, je weet anders maar nooit hoe hij je nu of later in het hiernamaals voor je zonden straft.'
Ruud meent dat je toch maar beter niets over God en de geheime openingen van ezels kan zeggen.
'Als je nu zoiets als Gerard Reve in ’66 zou schrijven krijg je vast veel gedonder met de Partij voor de Dieren.'
Karel filosofeert door.
'Misschien is God wel een homoseksuele, zwarte, Joodse, vrouw, maar als je dat tegenwoordig durft te zeggen krijg je voor je het weet zo al vier aanklachten aan je broek.'

Murk vertelt dat hij de vorige avond Lieuwe van Gogh, de 17-jarige zoon van Theo in een actualiteitenprogramma heeft gezien.
'Er werd hem gevraagd wat hij later als hij groot is zou willen worden.'
'Hij antwoordde dat hij een klein dik vervelend mannetje zou willen zijn.'
Karel schaterlacht.
Willen we dat niet allemaal.'
Ruud meldt dat hij het er volmondig mee eens is.
Daar zou dus gewoon een kerk voor moeten zijn, geen linkse of rechtse, maar een voor kleine dikke zuipende rokende mannen met een grote mond.'
Karel vindt het een mooie gedachte en theologiseert nog wat verder.
Maar die moeten voor hun nutteloze leven hier dan in de hemel ook wel tweeënzeventig maagden toebedeeld krijgen.'
Murk voegt ook nog maar wat aan het blasfemische gekraai toe.
Hele generaties kleine, dikke, vervelende, zuipende, rokende mannetjes kijken op u neer.'

Er valt een stilte.
Er loopt een pastoor voorbij.
Karel staat op en begint op luide toon een van zijn gedichten te declameren.

God
God is hot
Godgloeiende
GodGodGodGodGgodGodGodGodGod
God is hot

De pastoor verdwijnt geschrokken in de richting van de KeesFensKathedraal.
Ruud verhiklacht zich.
Karel neemt een laatste slok en gooit het zijn blik in de afvalbak.
God schijnt wonderen te kunnen verrichten, maar daar heb je verdomd weinig aan als je in de regen op een trolleybus staat te wachten.'
Jezus Chrysler, jullie weten toch ook wel dat tegenwoordig alleen de auto nog heilig is.'
Murk wil nog inbrengen dat Jezus in het jaar vier voor Christus geboren schijnt te zijn en derhalve zijn tijd toch best wel ver vooruit was, maar op dat moment wordt het gesprek onderbroken door twee stillen, agenten in burger.

Stillen zijn altijd gemakkelijk te herkennen, meestal aan hun schoenen, maar dan toch vooral aan het feit dat ze niet in uniform zijn.
Zij willen de identiteit van de heren controleren in verband met het aanstaande bezoek van de majesteit.
De politiemannen besteden deze keer geen aandacht aan het alcoholgebruik van het drietal, ze mogen rustig op de bank blijven zitten.
De agenten lopen lachend door, een van hen maakt een badinerende opmerking over het uiterlijk van het troepje.
Het zijn slechts bedelaars.'
Murk vertaalt de constatering in gedachten in het Frans en grinnikt zacht met hen mee.
Terwijl de mist langzaam oplost worden de activiteiten die zich aan de overkant van de Vondelgracht afspelen zichtbaar.
Op het moment dat de vorstin op de hoek van wat de NaemaTahirstraat en YasmineAllasstraat moet worden een met mortel bedekte steen in de fundering drukt valt het Karel op dat er een klein bureaucratisch blundertje is gemaakt.
Er is verzuimd om de laatste koeien uit het weiland te verwijderen.
Hij geeft op dichterlijke wijze commentaar op de aanwezigheid van de drie starende grazers.
In een poëtische bui loopt hare doorluchtige hoogheid met verwarde haren langs tochtige koeien en denkt: ‘ach, het is me komen aanwaaien, maar het ging mij toch altijd voor de wind’
Meteen na de plechtigheid stapt het staatshoofd in een blauwe auto die met piepende banden wegscheurt.
Ze zou toch ook nog met de burgemeester en de toekomstige bewoners gaan lunchen’ vraagt Murk zich hardop af, dat stond tenminste vanmorgen in de krant.'
Karel en Ruud weten het ook niet, zij zijn eigenlijk ook veel meer in de inhoud van hun blikjes bier geïnteresseerd.
Het feest aan de overkant gaat ook na het vertrek van hare hoogheid in alle hevigheid door.
Ruud deelt mee dat hij niets meer aan de feestelijkheden kan bijdragen en kondigt zijn vertrek aan.
Karel staat ook op, leegt zijn blik en sluit zich bij hem aan.
Minister Vogelaar wil de bouw van elk nieuw schitterend stadsdeel vieren zolang het nog kan en weet nog steeds niet van wijken.'
Murk blijft peinzend achter.

Herfstval hst 14
Volwassen Voltooid Verleden Tijd

De avond sleept zich voort.
Het geschiedenisprogramma HedendaagsVerleden staat op het punt te beginnen.
Murk neemt plaats voor de televisie.
Het onderwerp van de uitzending is de stad Polderploeg die dit jaar zijn dertig jarige bestaan viert.
De nieuwe gemeente werd indertijd de stad van de toekomst genoemd.
De regering had in die jaren plannen om Louloenen af te breken en een nieuwe hoofdstad in het midden van het pril gewonnen land te creëren.
De bewoners zouden zich daar in plaats van met auto's en fietsen op rolschaatsen moeten gaan voortbewegen.
Voorspellen is moeilijk, vooral als het om de toekomst gaat.
Een inmiddels bejaarde man die in een ver verleden futuroloog is geweest wordt gevraagd of het de bedoeling was om van Polderploeg een mooie stad te maken.
Voordat de man de kans krijgt de oorspronkelijke intentie uit zijn geheugen op te diepen geeft Murk het antwoord.
'Duh, nee ze waren van plan er een verschrikkelijke rotstad van te maken, maar dat is helaas niet helemaal gelukt.'
De voormalige stadsplanner drukt zich toch net iets anders uit.
'Het moest een stad worden om in te wonen, niet om naar te kijken.'
Een oud-bewoner vertelt hoe zijn huwelijk in Polderploeg kapot is gegaan en dat zijn kinderen zich daar in hun pubertijd hebben dood verveeld.
Het herinnert Murk aan de tijd dat zijn ouders van plan waren om met het hele gezin naar een dorp in de buurt van Louloenen te verhuizen.
Wat hen een gezonde leefomgeving voor het nageslacht leek was voor hem de moderne versie van Dante’s Hel.
Ondanks het feit dat Meerland slechts op minder dan tien kilometer ten oosten van de hoofdstad lag vond adolescent Murk genoeg aanleiding om te dreigen alle goede bedoelingen van ma en pa Hemelsoet te torpederen.
'Ik ga niet mee!'
De volwassen Murk denkt genuanceerder en is van mening dat hij zijn standpunt nu toch wel anders zou kunnen fulmineren.
Ach ja, hij wist toen niet beter.
Wist nog niet hoe hij zijn denkbeeld moest formuleren en had immers ook nog geen kennis genomen van de wijze waarop Gerard Reve zijn jeugd in de tuinstad waar deze zijn jongelingsjaren moest doorbrengen ooit heeft verwoord.
'Hij die hier opgroeit, laat alle hoop varen.'
Ach, het is niet anders.

Winterverleiding hst 4 II
Nader tot Reve op weg naar het einde van het gebruik
Of de rivaliteit tussen geluk en melancholie

Er is een literaire bijeenkomst in de BBB naar aanleiding van de vijfentachtigste geboortedag van Gerard Korrnelis van het Reve en de uitgave van het boek Rivaliteit zonder einde van Bernard Prakke.
 

Het boek behandelt de animositeit tussen de volkschrijver en zijn geleerde broer Karel.

Voordat de voordracht gaat beginnen heeft Murk nog wat tijd over en die gebruikt hij om alle open stukken van het hoofdstuk dat hij thuis heeft geschreven bij te werken en zijn mail te lezen.

Maike mailt Murk dat ze bij het lezen van fragmenten van zijn boek altijd heimwee naar de grote stad krijgt.
Er gebeurt dan wel veel meer in het grachtengordelghetto, maar er zijn ook dagen dat Murk liever elders zou wonen.
Het gras aan de andere kant van het land is immers altijd groener en dat geldt in het bijzonder voor Fryslân.
Murk sluit niet uit dat hij daar nog wel eens een huis zal gaan kopen om rustig te kunnen schrijven.
Dan moet zijn boek natuurlijk eerst nog wel een genadeloze 'pageturner' worden waar een behoorlijk voorschot voor wordt betaald .

Gerard Kornelis van het Reve heeft ook een periode in Fryslân doorgebracht.
Hij woonde van 1964 tot 1971 in Greonterp, een buurtschap met zevenentwintig inwoners.
Hij leefde in die tijd samen met Teigetje en later ook met Woelrat in een huis dat naar de naam Het Gras Huize Algra luisterde.
Twee van zijn meest indrukwekkende boeken, Op weg naar het einde en Nader tot U zijn hier geschreven.
Niettegenstaande dat Reve meermaals meende te moeten opmerken dat hij het Frysk toch meer een keelziekte dan een taal vond wist hij zich bij de lokale bevolking redelijk geliefd te maken.
Dit was mede te danken aan het feit dat hij in de plaatselijke kroeg veel rondjes gaf.
Omdat de andere helft van de rondjes meestal 'van het huis' waren grapte Gerard vaak dat hij voor half geld dronk.
Na afloop van die te gezellige avonden reed Reve dikwijls op zijn oude brommer naar huis.
Vaak in benevelde toestand en hij had hierdoor enigszins moeite daar behouden weder te keren.
Meestal was hij gedwongen eerst een aantal cirkels rond zijn erf te beschrijven tot de benzine op was omdat hij niet meer in staat was de motor af te zetten.

In die tijd was de volksschrijver verwikkeld in een rechtszaak wegens godslastering die bekend staat als het Ezelproces.
Landelijke kranten plaatsten een onophoudelijke stroom ingezonden stukken van een drietal lezers die tegen hem tekeer gingen over het beledigingen van de Rooms-Katholieke kerk.
Reve deed daar zijn beklag over tegen Simon Carmiggelt.
Simon lachte.
'Ik dacht dat die bij jou in loondienst waren.'

Murk herinnert zich een andere anekdote uit die jaren.
Simon Vinkenoog bezocht het noordelijke gedeelte van het land en werd uitgenodigd een inleiding bij een dichtersbijeenkomst te houden waar Reve de hoofdgast was.
Nadat Vinkenoog de aankondiging ‘dit is Gerard Kornelis van het Reve en naast hem staat God’ had uitgesproken ontstond er een vechtpartij tussen de auteurs.

Terwijl de zaal vol stroomt en er zelfs stoelen moeten worden bijgezet ontrukt Murk nog maar een paar anekdotes uit zijn geheugen.
Toen een gouden bruidspaar in het dorp hun jubileum vierde liet Reve een grote hoeveelheid chocolaatjes, confetti en vaatjes cognac uit een helikopter droppen en deelde het toegestroomde volk mede dat hij er toch maar van had afgezien om ook nog eens op toeters te trakteren.
Murk bedenkt zich dat Reve op dat moment waarschijnlijk al redelijk had ingenomen.
'Vast zelf al meer dan toeter genoeg.'

Op een dag besloot Gerard dat hij graag een ouderwetse doodskist wilde hebben.
Dat zou de dood wel buiten de deur houden.
Toen hij zich hiervoor bij de werkplaats van de plaatselijke kistenmaker meldde werd deze juist op dat moment naar buiten gedragen.
De oude man was zelf twee dagen daarvoor overleden.
Reve trok wit weg, schafte uiteindelijk toch maar een kist aan en sliep hierin regelmatig zijn roes uit.

De lezing neemt een aanvang.
Voordat Bernard Prakke wordt geïntroduceerd worden er een paar van Reve’s gedichten voorgelezen.
Het eerste is in 1962 geschreven na het overlijden van zijn moeder.
Droom
Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,
eindelijk eens goed gekleed:
boven het woud waarin zij met de Dood wandelde
verhief zich een sprankelende stilte.
Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was
en uitgerust.
Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.

In 1965 toen Gerard nog het voornemen had der rest van zijn leven in Greonterp te slijten schreef hij alvast een gedicht over zijn eigen verscheiden.
Eind goed al goed
Mijn as wordt begraven op het kerkdorp te Greonterp.
De mensen die komen kijken,
krijgen met onbekrompen maat te drinken,
de kinderen ook, dat staat geschreven.
Er komt een houten kruis,
Waarop te lezen valt: GOD IS LIEFDE,
Verder niks.
Dan komt de harmonie, en speelt een lied,
Langzaam en vroom, met veel koper.
Als er wel wolken maar geen wind is wordt de hemel een sluier van stilte,
er daalt iets neer dat veel lijkt op geluk.

Bernard Prakke begint zijn betoog met af te geven op de journalist die het gewaagd heeft in het Vrije Woord drie pagina’s aan de roman Pijn van Beau van Erven Dorens te wijden.
'Deze bladzijden hadden toch beter gevuld kunnen worden, er is immers genoeg over betere schrijvers te melden.'

Prakke verhaalt hoe hij ertoe is gekomen het boek te schrijven.
Hij blijkt naast liefhebber van het werk van Reve ook zeer geïnteresseerd te zijn in de verhoudingen tussen mensen.
Uit de zaal komt de vraag of de broers Reve op latere leeftijd nog contact hadden.
Prakke vertelt dat dit niet het geval was.
'Gerard was zelfs niet op de begrafenis van zijn oudere broer.'
Murk neemt aan dat Karel dan ook wel niet op die van Gerard zal zijn geweest.

Julius Vischjager, hoofdredacteur van de eenmanskrant the Daily Invisible struint door de zaal en maakt foto’s van het aanwezige publiek.
Murk blijft liever buiten beeld.

Nadat Bernard Prakke zijn verhaal heeft afgerond wordt er een documentaire vertoond over de tuinstad waar Reve, Johan Cruijff en Simon Vinkenoog zijn opgegroeid.
Een minder bekende ex-bewoner van de wijk vertelt over een familie NSB-ers met een rode kat die tijdens de oorlog bij hem om de hoek woonde.
Tijdens de Hongerwinter sloeg de kat zijn slag in een naburig konijnenhok en werd hiervoor gestraft.
Het rode monster werd in een vuilnisbak opgesloten en werd om reden dat brandstof in die tijden erg schaars was slechts op een zacht vuurtje geroosterd.
Er waren eertijds blijkbaar mensen die dachten dat ze met het afmaken van een foute kat de bezetter een fikse klap konden toedienen.

De lezing is afgelopen.
Murk loopt denkend aan Reve, over het geluk en de zin van het leven in de richting van de pont.
'Naar verluidt heeft Reve in Fryslan de meest depressieve periode van zijn leven doorgemaakt.'
Simon Carmiggelt die zijn neerslachtigheid ook in drank smoorde vatte het mooi samen: ‘het leven is één grote ellende als je er maar oog voor hebt.'

Murk prijst zich gelukkig dat hij nooit depressief is geweest.
Hij heeft wel eens periodes gehad dat hij niemand wilde zien omdat hij bang was dat iedereen zijn verslaving zou opmerken.
De verhalen van zwaarmoedige mensen zijn van een andere categorie.
Zij willen helemaal niets en zien alles slechts in een kleur.
Zwart.

Bij Murk daalde het humeur pas onder het nulpunt als het geld om drugs te kopen weer eens op was.
Hij herinnert zich een dag uit de tijd dat hij nog zelfstandig woonde en geen zin in visite had.
Zus en zwager waren hem komen opzoeken en verschaften zich na langdurig tevergeefs bellen toegang tot de woning met een reservesleutel.
Hij wist niets anders te verzinnen dan zich in zijn werkkamer te verstoppen.
Toen hij door zijn zwager werd ontdekt moest hij wel uit de kast komen.
Er was geen ontkennen meer aan.
Zijn drugsgebruik was niet onopgemerkt gebleven.
Ja, hij had een probleem.

Na het volgen van therapie werd de periode van zwaar drugsgebruik afgesloten en kon hij een nieuwe start maken.

Als je te veel je best doet om gelukkig te worden lukt dat niet.
Dan loop je er als een ezel die een wortel voor zijn neus heeft hangen achteraan.
De mens die denkt vijf dingen nodig te hebben om een fantastische avond te hebben voelt zich terneergeslagen als een van deze zaken ontbreekt.
Is er dan leuk gezelschap, lekker eten, een warme haard en fijne muziek dan blijkt de wijn toch nog vergeten te zijn.
Terwijl degene die plotsklaps door iemand wordt uitgenodigd en een eenvoudige maaltijd in een warm huis krijgt voorgezet de avond van z'n leven heeft.

Teveel willen is de snelste weg naar het ongeluk
Marek van der Jagt 
( Gstaad 95-98)

Winterverleiding hst 8 
Murk droomt van Reve
Dit is een zeer voorlopige versie.
Er moet nog veel aan herschreven en verbeterd worden.
Hoofdstuk 8 is het derde deel van een drieluik dat zich op de dag voor en op beide Kerstdagen afspeelt.
In dit fragment is het de avond van tweede kerstdag.



Ma is al naar bed, Murk zet de tv die ze aan heeft laten staan af, gaat naar bed en droomt over een verre toekomst.
The future, Tommorow?
Well tommorows a long way off

The Shangri-las:the past, present and future
Arthur Butler, Jerry Leiber, George Francis Morton

Murk zit alleen op de bank naar de film E.T. op tv te kijken.
Er worden verwoede pogingen gedaan het buitenaardse wezen terug naar zijn soortgenoten te sturen, blijkbaar is zijn verblijfsvergunning verlopen.
Cant we beam E.T. Up?
No, this isn't science fiction, this is reality!
Plotseling klinkt er buiten gezang, Murk loopt naar het raam en ziet de hemel open gaan, er vliegt een engel laag over, gevolgd door een heel leger van hemelboden.
Ze roemen God: ‘Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen’.
Er lopen herders in de tuin en er zijn enkele tientallen schapen, de engel maakt een duikvlucht, het duister wordt doorkliefd door een hemels licht.
Murk loopt de tuin in om de herders te vragen wat ze daar te zoeken hebben, de schaaphoeders bukken op tijd, maar Murk wordt verblind door de lamp die de engel op haar helm heeft.
De kittige engel tilt Murk op en vliegt in een snelle vlucht met hem weg.
Onderweg stelt de engel zich voor als Eartha, ze vertelt dat dit haar eerste opdracht is en dat ze zijn vragen niet mag beantwoorden.
Na een korte vlucht wordt Murk op een wolk achtergelaten, hij kijkt om zich heen of hij misschien ergens een luchtkasteel ziet, maar dit blijkt niet het geval te zijn.
De wolk lijkt stevig genoeg om zijn gewicht te kunnen dragen en Murk doet een paar voorzichtige stappen.
Als hij een tijdje heeft rondgelopen ziet hij in de verte de gestalte van een oude man op een roze wolk opdoemen.
De man wenkt hem en als Murk dichterbij is gekomen herkent hij Gerard Kornelis van het Reve.
‘Leuk dat je bent gekomen, ik krijg hier nooit bezoek’ verwelkomt de schrijver hem, ‘er is hier niets te doen en buiten de zon, de maan en de sterren is er hier geen verlichting en dat maakt vooral de avonden erg vervelend’.
Reve ziet het verschrikte gezicht van Murk en stelt hem gerust: ’niks aan de handa, voor jou is dit toch maar een droom.'
‘Heeft u het niet koud? ‘, vraagt Murk, wijzend op het overhemd en het dunne jasje dat de schrijver draagt, ‘u bent niet erg dik aangekleed’.
‘Dat heb je toch helemaal niet nodig als je zo'n warme persoonlijkheid bent zoals ik’ schertst Reve.
‘En bovendien kan je na je dood toch geen kou meer vatten.'
Reve kan Murk ook niet wijzer maken over de plaats waar ze zich thans bevinden.
‘Ik neem aan dat we in de hemel zijn, maar ze hebben me hier ook nooit iets over de gang van zaken verteld.'
Reve gesticuleert met een wijds zalvend gebaar om zich heen.
‘Ik weet niet wat jij ervan had verwacht, maar dit is echt alles dat er is.'
Murk verklaart dat hij tot op dit moment niet echt in een hiernamaals heeft geloofd, maar dat hij er wel enkele wilde theorieën over heeft bedacht.
‘Bijvoorbeeld reïncarnatie, opnieuw beginnen met de verworven kennis in een nieuw lichaam, proberen eerder gemaakte fouten te vermijden, zoals je een computergame kan resetten.'
'Er wordt altijd over midlifecrisis gesproken, er zijn zelfs mensen die beweren dat ze een quarter life crisis hebben, maar het zou toch mooi zijn als je achteraf zou kunnen lachen over je third of sixth life crisis.'
‘Het leven is als het spel ganzenbord, waar je af en toe een tijdje in de put moet zitten, of een paar plaatsen terug wordt gezet en er dan aan het einde achter komt waar alles goed voor was.'
Reve maakt een parafrase op een van zijn uitspraken over het hiernamaals.
‘Ik vond het leven al fantastisch en dan nu het eeuwig leven hier, ik zit me nu de hele tijd al af te vragen waar ik het eigenlijk allemaal aan heb verdiend.'
‘Ik vond het leven al het einde en dacht dat het einde nog verrassender zou zijn’, kniesoort Murk,’ wat een deceptie!'
Reve staat op, loopt naar een minibar en vraagt of Murk wellicht ook iets wil drinken.
‘Ik heb alleen rode wijn en bessen-appel, dat is een frisse fruitdrank, die heb ik altijd koud staan voor het geval mijn oude moeder hier op een dag nog eens opduikt.'
Reve haalt een fles wijn uit de minibar, er wordt geproost en Murk vertelt over de dementie van zijn moeder.
‘Dat is een hele nare ziekte’ onderschrijft Reve, ‘ daar heb ik zelf ook nog zeer onder geleden in mijn laatste aardse jaren.'
Op verzoek van Murk diept Reve het gedicht Roeping uit zijn geheugen op, het komt er zonder haperen uit, het is alsof de schrijver het pas gisteren in plaats van in 1973 heeft geschreven.

Roeping
Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet 's avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

‘Het is maar goed dat er hier geen God is’, bromt Murk, ‘ik zou ik weet niet wat doen om Hem voor eens en voor altijd duidelijk te maken dat het echt van geen kant deugt om mensen met zo'n verschrikkelijke aandoening op te schepen.'
‘Veel goeds zal het wel niet zijn’ oordeelt Reve en nipt aan zijn wijn.
Murk maakt van de gelegenheid gebruik om te vertellen dat hij ook een beetje schrijft, de volksschrijver geeft hem een handige tip.
‘Bewaar de papiertjes waar je aantekeningen op hebt gemaakt, die kan je altijd nog aan het literatuur-museum verkopen.'
Reve schept op hoeveel geld hij wel niet heeft verdiend doordat zijn boeken verfilmd werden.
‘Als er dan ook nog een game van wordt gemaakt verdien je tegenwoordig nog een stuk meer’ repliceert Murk.
‘Kijk je wel uit dat je niet te veel drinkt of drogerende middelen tot je neemt’, betwetert Reve, ‘anders kom je helemaal niet meer aan schrijven toe.'
‘Ja het leven is verlokkkkkelijk!’ valt Murk hem bij, ‘ik weet er alles van.'

Murk vertelt over de fouten die hij eerder in zijn leven maakte, Reve schudt zijn hoofd en geeft een vaderlijke raad.
‘Je hebt je orgasmen van seconden, drugskicks van minuten, de fifteen minutes of fame van Andy Warhol, your finest hours, de dag van je leven, zeven vette jaren, maar je kan beter kinderen verwekken of een boek schrijven, daar kan je een leven lang van genieten.'
‘En misschien blijven anderen na je dood de boeken lezen en er van genieten’ vult Murk aan, ‘wie schrijft die blijft, wie men nog leest is aanwezig geweest’.
‘Dat laatste stukje heb je er zeker zelf bij verzonnen’ raadt Reve, ‘ik zou best iets van je willen lezen’.
‘U hebt zeker geen e-mail?’ vraagt Murk tegen beter weten in,’dan zou ik u iets kunnen opsturen.´
Reve schudt zijn hoofd, ‘er is hier helemaal niets, zelfs geen mooie jonge engeltjes met geheime openingen’.
Murk vertelt over de inhoud van de drie Kersthoofdstukken waar hij op het moment mee bezig is.
Reve is verrast dat Murk hun ontmoeting in het derde hoofdstuk wil gebruiken.
‘Het is een leuk idee’, zegt hij peinzend, ‘een mooie wintervertelling over een moeder, een zoon en een oude schrijver die de geest heeft gegeven’.
‘Vindt u het niet een beetje vergezocht?’ informeert Murk.
‘Het maakt niet uit dat sommige gedeelten verzonnen zijn’, doceert Reve,’echt gebeurd is geen excuus, de enige taak die je als fictieschrijver hebt is een spannend verhaal schrijven’.
‘Het kost me behoorlijk wat moeite de Kersthoofdstukken te voltooien’ verzucht Murk, ‘het is moeilijk van zo`n lang stuk tekst een kloppend geheel te maken, ik zal blij zijn als het is volbracht’.
Reve loopt naar de minibar, opent een nieuwe fles wijn en schenkt de glazen vol.
‘Ik kan je niets te eten aanbieden, men gaat er hier van uit dat men na de dood niets meer pleegt te eten.'
‘Dat maakt niet uit, ik heb geen honger’ antwoordt Murk, ‘ik heb vanavond al hemels gegeten bij vrienden in Fryslân.'
Reve vraagt gierig naar het nieuws uit de wereld der levenden, Murk vertelt hem over de laatste ontwikkelingen op aarde.
‘China heeft tegenwoordig meer in de melk te brokkelen, dat heeft helaas nogal wat baby’s het leven gekost’.
Reve vraagt lachend hoe het met Mulisch is.
‘Heeft ie de Nobelprijs al gekregen?'
Als Murk de vraag ontkennend beantwoordt schatert de schrijver het uit.
‘Mulisch is vullis!'
Murk completeert het adagium.
Reve dat is pas leven!'
Reve wil ook graag weten of de laatste kerken al zijn opgedoekt.
‘Nee, dat valt behoorlijk tegen, sommige kerken zijn voller dan ooit, men gelooft tegenwoordig de gekste dingen’.
Murk vertelt over de nieuwe paus, die in de kerstnacht heeft opgeroepen om kindermisbruik te voorkomen en de wereld wil redden van homoseksuelen en transseksuelen.
‘Poe poe, nou nou, het is me wat, die durft’ brult Reve, ‘die Jan Klaassen is zelf het hoofd van de grootste poppenkast met ontuchtige marionetten.'
Als Murk Reve over de dood van Harold Pinter vertelt, pinkt de volksschrijver een traantje weg.
‘Die man kon zo mooi schrijven, ik heb zijn Verjaardagsfeest nog vertaald, een schitterend stuk over de levensangst van een groep mensen in een kleine ruimte’.
De maan breekt tussen de wolken door, Reve en Murk strekken hun benen, er wordt een eiland zichtbaar.
‘Dat is het enige uitzicht op de wereld dat ik hier heb’ klaagt Reve, ‘God mag weten welk eiland dat is’.
‘Sark!’ roept Murk uitbundig, ‘daar heb ik pas een documentaire over gezien’.

Beide mannen hebben het gevoel dat de droom niet lang meer kan duren en beginnen afscheid te nemen.
‘Een zenuwlijder als ik zul je nooit worden’ palavert Reve, ‘maar de goede wil is er’.
Reve doet Murk nog een idee voor de naam van zijn Kerstverhaal aan de hand.
‘Noem het ik droomde van Reve, met mijn naam verkoopt het beter en het klinkt ook goed als het in het Frans wordt vertaald’.
Murk lacht en verzekert de oude schrijver dat hij het in overweging zal nemen.
‘En blijf dwars’, raadt Reve Murk aan, ‘de Bijbelse ezel in de kerststal gooide immers zijn kont al tegen de kribbe.´
Murk belooft dat mocht hij ooit op audiëntie worden ontvangen bij de paus zal klagen over de behandeling die de schrijver in de hemel te beurt is gevallen.
‘Bedankt lieve jongen, doe mijn groeten aan je moeder, en ga moedig voorwaarts!’.
Murk wordt wakker, hij ligt gewoon in bed een terugreis per engel is hem bespaard gebleven, de kerkklokken van de GodfriedBomanskathedraal luiden.
Murk telt de slagen, tien, hij kijkt op de wekker naast het bed, hij heeft twee slagen gemist.
Het is middernacht.
Kerst is voorbij.

Winterverleiding hst 9 II
Wat vooraf ging:
Jacqueline, de zus van Murk is jarig.
Murk heeft een IKEA-kast gekocht en begeeft zich hiermee op weg naar de viering van haar verjaardag.
Station Walden-Centraal.
Murk wringt zich met de schoenenkast uit de trein en belt zijn zus omdat hij geen zin heeft om met het gevaarte ook nog eens bus of taxi te moeten nemen.
De auto van Jacqueline rijdt voor.
Met enige moeite lukt het Murk het pakket tussen achterklep en bestuurderszitting te positioneren.
De rit naar huize de Mol kan worden aanvaard.
Murk kijkt toe hoe zijn zus het papier kapot scheurt.
Ze is dolblij met haar cadeau.
'Een Imelda!!!!'
'Daar kan ik mooi de schoenen in kwijt die ik volgende week ga kopen.'
Terwijl broer en zus op de gasten wachten leest Jacqueline de hoofdstukken die Murk de laatste tijd heeft geschreven en velt haar oordeel.
'Het is wel weer heel erg over de top, nu verzin je er zelfs dode schrijvers bij.'
Murk glimlacht.
'Als Tolstoj zich in Oorlog en Vrede in het gedachtegoed van een paard kan inleven mag ik toch ook wel een ontmoeting met Gerard Reve creëren?'
Jacqueline grinnikt.
'En je hebt dat stuk over die engel gewoon uit de Bijbel gekopieerd, dat is toch gewoon het kerstverhaal.'
Murk rechtvaardigt zich.
'Dat maakt niks uit, daar zit toch geen copyright meer op.' 

Winterverleiding hst 11 I
Over blurbs en een volksschrijver
 
Murk hoopt dat het zijn jaar zal worden, het jaar dat zijn eerste boek voltooid en uitgegeven wordt.
Hij denkt alvast na over een blurb, de wervende tekst op de achterkant van een boek die dient om mensen aan te sporen het boek te gaan kopen.
Gerard Kornelis van het Reve heeft eens een brief die hij zogenaamd van een enthousiaste arbeider had ontvangen op de achterkant van een van zijn romans laten zetten.
Murk bedenkt zich dat het jammer is dat hij bij zijn recente ontmoeting met de volkschrijver geen pen en papier bij zich had, wellicht had hij hem dan kunnen vragen iets voor de achterflap van zijn binnenkort te publiceren boek te schrijven.
´Als ik dit boek bij de Slegte zou aantreffen, voor een bedrag dat de somma van twee Gedogiaanse florijnen niet overschrijdt, zal ik geen moment aarzelen mij hier een exemplaar van aan te schaffen.'

Lentebal hst 3 III
God, drank en poëzie of de zin van het bestaan

Karel begint te vertellen over een interview dat Gerard Kornelis van het Reve ooit aan een redacteur van een schoolkrant gaf.
'De scholier vroeg de volksschrijver of hij dacht dat God bestaat.'
Karel raakt de draad kwijt en pauzeert om een slok te nemen.
Als hij het antwoord 'dat heeft God toch niet nodig' eindelijk uit zijn geheugen heeft opgedolven, gaat hij in een moeite door met de twijfels die hij over de zin van zijn eigen bestaan heeft.
'Als ik te veel drink ben ik altijd bang dat er aan mij een goede schrijver verloren gaat, als ik veel dicht is het net andersom.'
'Ze zullen niet weten wat ze op mijn grafsteen moeten zetten, hier ligt een kloeke drinker. of hij was een groot poëet.'

Schrijverbestevaertje (vier fragmenten)
Kort verhaal geschreven n.a.v. de dood van Harry Mulisch

Murk kijkt het programma College Tour waarin Mulisch te gast is terug.
Dan komt er een jonge man aan het woord die zichzelf tot opdracht had gegeven alle romans van Mulisch voor zijn zestiende te lezen, hij heeft deze leeftijd inmiddels bereikt en de boeken inderdaad allemaal gelezen en is daar nog trots op ook.
'Ja, ik dacht dan heb ik tenminste iets bereikt.'
De jongeling maakt gewag van het feit dat hij nu aan het oeuvre van Gerard Kornelis van het Reve is begonnen, dus misschien komt het nog wel goed met hem.
--------------------------------------------------------------------
Murk en Karel hebben op de dag van de uitvaart van Mulisch op het Leidseplein afgesproken en ontmoeten elkaar voor de Stadsschouwburg.
Murk bericht zijn drinkebroer dat hij op weg naar het plein toch zeker vijf keer gemeend heeft dat hij Harry Mulisch zag lopen.
Karel smaallacht: 'Dat is weer eens wat anders dan het Jeruzalem-syndroom, of dat het je bijvoorbeeld opvalt hoeveel rode fiatjes er wel niet rond rijden als je net zelf zo'n auto hebt gekocht.'
Het Jeruzalem-syndroom is een psychische aandoening die optreedt bij religieuze ervaringen.
Het beeld van deze geestelijke storing loopt uiteen, er kan sprake zijn van wanen of andere psychotische verschijnselen, obsessieve ideeën of identificatie met bepaalde personen.
De gemeenschappelijke factor hierbij is dat de verschijnselen verband lijken te houden met een bezoek aan het religieuze centrum Jeruzalem, maar de naam van het syndroom is niet helemaal correct, omdat vergelijkbare verschijnselen zich ook in andere Godsdienstige centra zoals bijvoorbeeld Mekka, Lourdes en het Ganges-gebied voordoen.
Karel zegt lachend dat het hem meevalt dat Murk de volksschrijver Gerard Kornelis van het Reve nog niet op de donkere wolk die inmiddels boven het plein hangt heeft waargenomen.
'Maar dan zou hij ook wel al te ver van zijn huidige standplaats boven het eiland Sark zijn afgedreven.'
Murk waarschuwt Karel zijn neiging tot scherts enigszins te beteugelen.
'Daar moet je niet mee spotten, voor je het weet word je door een bliksemschicht getroffen.'
Karel stelt Murk gerust.
'Daar hoef je niet bang voor te zijn, God heeft het op dit ogenblik vast veel te druk met Harry.'
Murk ruimt het misverstand dat er in Karel's geestelijke beleving bestaat uit de weg.
'Ik bedoelde eigenlijk meer de toorn van Reve die op je zou kunnen neerdalen'.
-----------------------------------------------------------------------------------

Het stoffelijke overschot van Harry Mulisch wordt in een rondvaartboot over de Amstel naar begraafplaats Zorgvlied vervoerd.
Karel en Murk volgen de uitvaart vanaf de oever.
Daar komt het uitvaart-flottielje al om de bocht, voorop vaart de politieboot genaamd de Waterrat, Murk spreekt zijn leedwezen uit over het feit dat de Woelrat niet voor deze operatie is ingezet.
'Dan was deze gelegenheid ook nog een beetje leuk voor Gerard Kornelis van het Reve geweest.'

----------------------------------------------------------------------------

Na afloop van de begrafenis van Mulisch
Karel en Murk openen nog een blik bier en roemen de mooie plechtigheid die zij die middag hebben bijgewoond.
'Nou dat was een mooie begrafenis voor ons Schrijverbestevaartje.'
'Nee het was zeer zeker geen dooie boel.'
'Dat was het dan, nu is de laatste van de grote vier ook dood.'
Murk is de tel even kwijt, maar Karel somt op.
'Willem Frederik Hermans, Gerard Kornelis van het Reve en Harry dan, maar ze vergeten Jan Wolkers altijd, het lijkt wel of zijn naam net als die van Jaweh nooit mag worden uitgesproken.'


Het volledige verhaal Schrijverbestevaertje:
http://seizoensgebonden.blogspot.com/2011/06/schrijverbestevaertje.html

Zie ook Gerard Reve:
Bloemlezing van aforismen, gedichten, citaten en anekdotes betreffende de grote volksschrijver.
 http://seizoensgebonden.blogspot.com/2012/04/gerard-reve.html




Meer fragmenten uit Seizoensgebonden vindt u hier


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen